De effectieve instructie

Differentiëren is noodzaak. Kinderen moeten op hun eigen niveau kunnen werken. Om te kunnen differentiëren is het van belang dat instructies zeer effectief gegeven worden. Hierdoor maak je het voor jezelf als leerkracht ook mogelijk om meerdere instructies aan groepen kinderen en zelfs individuele kinderen te geven als dat nodig is.

Voorwaarden en aandachtspunten

Er zijn voorwaarden en aandachtspunten gekoppeld aan het geven van een effectieve instructie. Je moet als leerkracht de referentieniveaus kennen en de lesstof volledig “in de vingers” hebben. Het is van belang dat je gericht bent op de (re)actie van de kinderen. Met andere woorden: je let op het welbevinden en de betrokkenheid om zo te zien hoe de instructie binnenkomt. Een goede voorbereiding is voorwaardelijk, inclusief planning van de onderwijsactiviteiten en een goed klassenmanagement. Zorg dat er altijd vooraf duidelijkheid is over de ruimte, de tijd en de criteria.

4-sporenbeleid

Om te differentiëren kan het handzaam zijn om vanuit een model te werken, waarbij je kinderen begeleidt, afhankelijk van hun behoefte daaraan. Zo’n model is het ‘4-sporenbeleid’, waar kinderen ingedeeld worden naar instructie-behoefte:

  1. 1

    Kinderen die autonoom kunnen werken:

    De leerkracht volgt het kind en reflecteert er geregeld mee

  2. 2

    Kinderen die autonoom kunnen werken na de instructie:

    De leerkracht voorziet in rijke hoeken en uitdagende materialen afgestemd op ontwikkelingsbehoeften

  3. 3

    Kinderen die (tijdelijk) aan de hand moeten worden genomen:

    De leerkracht gaat hier voortdurend op zoek naar kansen voor betrokkenheid.

  4. 4

    Kinderen die met een handelingsplan werken

    Kinderen met leer- en ontwikkelingsstoornissen. Deze kinderen worden intensief begeleid.

Aflopende instructie

Het 4-sporenbeleid geeft je als leerkracht de kans om met een aflopende instructie te werken. Aanvankelijk moeten kinderen daar aan wennen. Maar al snel gaan ze zelf (mee) bepalen of ze nog extra hulp of uitleg nodig hebben. Uiteraard blijft de leerkracht dit allemaal goed volgen en variëren de sporen, soms per vak.

‘Wat wél en nooit wat niet’.

Bij een effectieve instructie gaat de leerkracht op zoek naar de werkelijke vraag. Het gaat erom dat het kind wordt aangeleerd om te vertellen wat hij al weet en daarna (zo nodig) de échte vraag stelt. Vraag dus nooit wat een kind niet weet. Dat weet hij namelijk niet!

Suggesties

Ga samen op zoek naar antwoorden en maak van de instructie een spel en geen toets. Je zult merken dat de lol en betrokkenheid dan snel. Ga het ‘cognitieve conflict’ aan met de kinderen. Maak er een spel van dat je ze tijdens de instructie niet begrijpt, maar zorg ook dat kinderen zich gaan verbazen. Besteed aandacht aan de vragen van kinderen, maar ben ook kritisch als kinderen geen echte vraag hebben. Zorg dat je na je instructie even tijd hebt om te observeren wat er gebeurt, even van een afstand kijken. Betrokkenheid leren scoren is vaak blijven waarnemen, zonder voorbarige interpretaties.

Afsluiting en Evaluatie

Het is belangrijk om na de contacttijd te evalueren en te reflecteren. Het effect daarvan is groot; kinderen kiezen voor activiteiten doordat de verhalen van andere kinderen hen er enthousiast voor hebben gemaakt. Evaluatiekringen helpen je de volgende dag weer effectiever te instrueren.

Het effect van effectieve instructie

Leerkrachten die zich richten op betrokkenheid en hun instructies daar kritisch op beschouwen, merken dat de effectiviteit snel toeneemt. ‘Effectief ’ klinkt zakelijk, maar is een zegen in de betekenis van ‘iedereen doet wat hij kan en wat hij kan doet hij’. Dat geldt zowel voor de leerkracht als voor álle kinderen.

De effectieve instructie

Wil je meer lezen over het 4-sporenbeleid, wat ‘aflopende instructie’ precies is en wat ervaringen van leerkrachten zijn met ‘effectieve instructie’? Download dan hier het volledige artikel.