‘Pedagogiek in de regio’ moet van de pabo worden

De Commissie Leraren presenteerde al in september 2007 haar rapport over de aanpak van het lerarentekort, de positie van de leraar en de kwaliteit van de leraar. Alexander Rinnooy Kan: “Nederland stevent af op een dramatisch kwantitatief tekort aan kwalitatief goede leraren. Dit is een fundamentele bedreiging voor de toekomst van de Nederlandse kenniseconomie.”

Niet generaliseren, niet individualiseren

De komende jaren vertrekt een groot deel van de leraren uit het voortgezet onderwijs. Het studentenaantal op de pabo’s loopt terug en er komen te weinig jongens. De media hebben niet alleen de problemen blootgelegd, maar met de beeldvorming ook de onaantrekkelijkheid van deze beroepsgroepen vergroot. De negatieve beeldvorming heeft zowel betrekking op de populatie (de lastige leerlingen) als de professional (de incompetente student en docent).

Scholen (en instellingen) die vanuit het oude paradigma werken hebben een globaal beeld van de problematiek en een individuele aanpak voor de problemen. Scholen die ‘gekanteld’ zijn en permanent op zoek zijn naar nieuwe afstemmingen, maken een zo genuanceerd mogelijk beeld van de realiteit. Bij hun interacties proberen ze ‘de lerende’ juist in relatie tot zijn hele context te beschouwen.

Pedagogen in de dop worden zichtbaar

Rinnooy Kan schetst een tweezijdig probleem: een kwantitatief en een kwalitatief probleem. Het onderwijs wordt op dit moment vooral bestookt met kwantitatieve normen. We suggereren daarmee dat de mens in zijn interactie een object is. Maar niets is minder waar.

In elke interactie is de mens een subject dat veranderlijk en vormbaar is. De hernieuwde aandacht voor opvoedkunde is de sleutel tot progressie. Kinderen die ontkoppeld raken zijn in staat delinquent (de-link-went is ontkoppeld) gedrag te vertonen. Kinderen die verbonden zijn met zichzelf, met anderen, met hun school, met hun wijk of met hun club, leven vreedzaam met elkaar.

Maar daar zijn pedagogische verbinders voor nodig. Mensen die de noden van kinderen op waarde kunnen schatten, mensen die aandacht en tijd voor hen hebben, mensen die affiniteit hebben met hun spel en hun leven. Daar zou de nieuwe pabostudent zichtbaar moeten zijn. Een relatie tussen de pabo’s en de wijk-, sport- en jeugdverenigingen kan deze jongeren (ook jongens!) de logische stap naar de onderwijsopleiding laten zetten.

De relevante pedagogiek van de regio

Maar natuurlijk is die relatie niet alleen zinvol met betrekking tot de nieuwe aanwas. Vanuit maatschappelijk oogpunt is de relatie ook omgekeerd relevant. Er zijn leerlingen van basisscholen en voortgezet onderwijs die buiten school, in de wijk en bij sport- en jeugdverenigingen problemen veroorzaken. Daar zouden de studenten van de pabo, ‘de pedagogen van de toekomst’, een constructieve en zinvolle bijdrage kunnen leveren.

De pabo kan, meer dan nu, haar maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen door zich niet louter te richten op de school en de bijbehorende didactiek, maar door meer aandacht te hebben voor de relevante ‘pedagogiek van de regio’.

De pabo als kloppend, opvoedkundig hart

Willen we in de analyse van de jeugdproblematiek een genuanceerd beeld krijgen en niet vervallen in generalisatie en willen we in de aanpak kinderen bezien vanuit de gehele context, dan zijn er verbindingen nodig met en om het kind. De school, de buurt, de sport- en jeugdvereniging die de context vormen, zijn gebaat bij opvoedkundige begeleiders. De pabodocenten (professionals) kunnen met de pabostudenten (potentials), in navolging van brede schoolconstructen, een pedagogisch netwerk gaan vormen in de regio.

‘Pedagogiek in de regio’ moet van de pabo worden

Wil je meer weten over hoe ‘de wijk’ en de pabo elkaar kunnen versterken? Download dan hier het volledige artikel.